Sociale media

  • NL
Open the menu

Nog steeds 170.000 Sudanese vluchtelingen in Zuid-Sudan

Midden 2011 brak in de Soedanese staten An-Nil-al-Azraq (Blauwe Nijl) en Janub-Kordofan een conflict uit tussen het Sudanese regeringsleger en een gewapende groepering van het Sudan People's Liberation Army-North (SPLA-N). In november 2011 escaleerden de gevechten en moesten tienduizenden mensen vluchten om te overleven. Artsen Zonder Grenzen is aanwezig in alle kampen, biedt er essentiële medische hulp en voorziet water voor de vluchtelingen.

© Camille Lepage. Yida, 2013.
© Camille Lepage. Yida, 2013.

De evolutie

Tot op vandaag zijn 40.000 vluchtelingen de grens met Ethiopië overgestoken en zijn om en bij de 170.000 mensen naar Zuid-Soedan gevlucht. Voor velen onder hen duurde de reis naar Zuid-Soedan maar liefst zes weken. Ze trokken van grot naar grot, aten enkel bladeren en wortels, hadden het moeilijk om drinkwater te vinden ... en veel vluchtelingen verloren familieleden die stierven door uitputting, ondervoeding of omdat ze ziek werden op hun tocht naar de grens.

Nu zitten ze in Zuid-Soedan in kampen, waar ze volledig op humanitaire hulp zijn aangewezen voor de basisbehoeften die ze nodig hebben om te overleven: voedsel, water, onderdak en gezondheidszorg. In totaal verblijven er vandaag ongeveer 170.000 Soedanese vluchtelingen verspreid over vijf vluchtelingenkampen in Zuid-Soedan.

60.000 in kamp Yida – Unity

Uit de staat Janub-Kordofan zijn ongeveer 60.000 vluchtelingen naar het kamp Yida gevlucht. Artsen Zonder Grenzen is hier al actief sinds december 2011 en bereikte de piek van de noodactie tijdens de ergste periode van het regenseizoen, van mei tot juli 2012, toen de bevolking in het kamp verviervoudigde omdat er elke dag maar liefst 1.000 nieuwe mensen bijkwamen.

Er stierven dubbel zo veel mensen als bij het begin van de noodsituatie. Elke dag stierven vijf kinderen aan de gevolgen van de vicieuze cirkel van ondervoeding in combinatie met ziektes als diarree, malaria en longontsteking. Alles werd nog ingewikkelder toen het regenwater de toegang tot het kamp via wegen onmogelijk maakte en het vliegtuig de enige manier was om in of uit het kamp te raken.

Nu het water van het regenseizoen is teruggetrokken, is het ergste van de verschrikkelijke sterftecrisis voorbij, maar dat neemt niet weg dat de vluchtelingen nog steeds humanitaire hulp nodig hebben voor alle basisbehoeften om te overleven. Terwijl andere organisaties verantwoordelijk zijn voor andere aspecten van de humanitaire hulp, neemt Artsen Zonder Grenzen het voortouw in de voorziening van gezondheidszorg:

110.000 in de kampen Batil, Doro, Gendrassa en Jamam - Upper Nile

Om en bij de 110.000 mensen zijn vanuit de staat An-Nil-al-Azraq naar de ongastvrije woestenij van Maban County gevlucht, waar ze nu in vier vluchtelingenkampen verblijven. Artsen Zonder Grenzen is al aanwezig in Maban County sinds november 2011, toen de eerste vluchtelingen aankwamen.

Net als in kamp Yida was de situatie rampzalig tussen juni en augustus, toen de combinatie van het regenseizoen met de aankomst van 35.000 nieuwe, totaal uitgeputte vluchtelingen en enorm veel gevallen van ziekte en ondervoeding zijn tol eiste. Er stierven meer dan twee keer zo veel mensen als aan het begin van de noodsituatie.

Nu het regenwater teruggetrokken is, is de situatie zo goed als stabiel, maar zonder blijvende humanitaire hulp zouden de vluchtelingen geen voedsel, water of gezondheidszorg hebben. Door de drogere omstandigheden komen er bovendien weer meer vluchtelingen de grens over, omdat dat in het regenseizoen niet mogelijk was. Artsen Zonder Grenzen biedt in alle kampen gezondheidszorg en pompt, behandelt en verdeelt elke dag nog steeds honderdduizenden liters schoon drinkwater in kamp Doro.