Sociale media

  • NL
Open the menu

Ebola: Geen vaccin, geen medicijn

Op 22 maart werd voor het eerst in de geschiedenis van Guinee een ebola-epidemie uitgeroepen door het ministerie van Volksgezondheid. De laatste officiële cijfers spreken van 86 mogelijk besmette personen en 59 sterfgevallen. De absolute prioriteit voor de teams ter plaatse is het opsporen van mensen die mogelijk besmet zijn en hen dan isoleren en zo goed mogelijk verzorgen.

Uganda, 2012 © Agus Morales
Uganda, 2012 © Agus Morales

Samen met het ministerie heeft Artsen Zonder Grenzen al een isolatiehospitaal opgezet in Geckedou; een ander wordt op dit moment opgetrokken in Macenta. Mobiele teams onderzoeken de situatie in Kissidougou en Nzerekore. Ook in de buurlanden Sierra Leone en Liberia wordt gekeken of er mensen besmet zouden kunnen zijn.

Esther Sterck is als arts gespecialiseerd in tropische ziektes en werkt voor Artsen Zonder Grenzen. Zij heeft al meerdere ebola-uitbraken besteden. De laatste keer was in 2012.

Wat is er zo uitzonderlijk aan ebola?

Esther Sterck: “Het is een zeldzame ziekte. De epidemieën zijn beperkt, maar ze veroorzaken altijd paniek. Dat komt omdat de ziekte in 25% tot 90% van de gevallen dodelijk is. Na een incubatietijd tussen de 2 en de 21 dagen, veroorzaakt het ebola-virus hevige koorts, hoofdpijn, spierpijn, bindvliesontsteking en algemene zwakte. In een tweede fase moet de patiënten braken, krijgt hij diarree en soms huiduitslag.

Het virus verspreidt zich via het bloed in het hele lichaam en verlamt het afweersysteem. Het is zo geducht omdat het afweersysteem het niet meteen detecteert. Als het lichaam het virus opmerkt, is het vaak al te laat. Het virus heeft dan al bloedklonters veroorzaakt die vitale organen blokkeren en zo voor bloedingen zorgen. De patiënten kunnen veel bloed verliezen, ook via hun neus en hun urine.

De ziekte wordt doorgegeven via contact met lichaamsvocht van besmette mensen of dieren, zoals urine, zweet, bloed of moedermelk. De familie maar ook de mensen die een patiënt verzorgen, lopen een groot risico op besmetting. De hoge sterftegraad en het bloedverlies zijn zo indrukwekkend, dat het medisch personeel vaak op de vlucht slaat en patiënten achterlaat.

Ook tijdens begrafenisrituelen waarbij familieleden het lijk wassen verspreidt het virus zich.”

Wat doet Artsen Zonder Grenzen bij een ebola-epidemie, als er geen behandeling bestaat?

Esther Sterck:  “Zelfs zonder medicijn kunnen we de hoge sterftegraad toch terugdringen door de symptomen te behandelen. We hydrateren patiënten die door diarree uitgedroogd zijn, en behandelen hen tegen eventuele andere ziektes zoals malaria of een bacteriële infectie zoals typhus. Ook vitamines en pijnstillers kunnen nuttig zijn.

Wanneer een zieke geregeld het bewustzijn verliest en hevig bloedt, is het hopeloos. We verlichten dan de pijn en blijven bij hem tot het einde.

De laatste jaren is Artsen Zonder Grenzen betrokken geweest bij zo goed als elke ebola-epidemie. Van zodra de besmetting bevestigd is door het labo-onderzoek van een bloedstaal, moet iedereen die zich met de patiënten bezighoudt een ondoordringbaar pak dragen, handschoenen, een masker, en een beschermende bril – een heel voorzichtig zijn. Er wordt een ontsmettingssas geïnstalleerd tussen de geïsoleerde patiënten en de buitenwereld.

Om de epidemie in te dijken, is het belangrijk om de hele keten van de besmetting te reconstrueren. Alle contacten van mogelijk besmette personen worden opgezocht. Ze worden nauwlettend in de gaten gehouden en ze gaan meteen in quarantaine van zodra de eerste tekenen van een besmetting verschijnen.

Daarnaast moeten we ook de getroffen gemeenschappen informeren over de ziekte en maatregelen tegen besmetting. Met de regels van basishygiëne, zoals het wassen van je handen, kan je het risico op overdracht al sterk terugdringen.

Hoe staat het ervoor in de strijd tegen ebola?

Esther Sterck: “Er zijn verschillende landen geïnteresseerd in de bestrijding van ebola, om zich te kunnen verdedigen tegen biologische oorlogsvoering of terreuraanslag. Maar toch blijft onderzoek beperkt. Het kleine aantal epidemieën en patiënten maakt het moeilijk om de ziekte te bestuderen. Om vaccins te ontwikkelen, zouden er voldoende vrijwilligers moeten zijn. Het onderzoek richt zich op de oorsprong van het virus en op vleermuizen, want dat is wellicht het natuurlijke reservoir van het virus.

De laatste jaren heef Artsen Zonder Grenzen hulp geboden bij bijna elke ebola-epidemie. Er zijn ook andere organisaties aanwezig, maar wij kunnen bijdragen met onze ervaring in de behandeling van patiënten. Er is ook veel materiaal nodig om de quarantaine goed te kunnen organiseren.

We proberen steeds zo snel mogelijk te reageren. Dat is cruciaal. Van zodra het eerste bloedstaal positief blijkt, moet je meteen ingrijpen. Het probleem is dat ebola opduikt in afgelegen gebieden en dat het dan een tijdje duurt voor de ziekte herkend wordt en de overheid ingelicht is. De eerste symptomen lijken overigens sterk op die van malaria. Dus dat is iets anders dat we doen: het lokale medische personeel opleiden om snel te kunnen reageren.”

WAT IS EBOLA?

Er bestaan verschillende stammen van het ebolavirus. Het werd voor de eerste maal vastgesteld bij de mens in 1976 in Sudan en in Congo langs de rivier Ebola. De virussen van het type ebola veroorzaken destructieve ziektes die meestal tot de dood leiden. Ze ontwikkelen hemorragische koorts (die interne of externe bloedingen veroorzaken), net zoals koorts van Marburg, een aanverwant virus. Er bestaat geen behandeling, noch een vaccin.

Men denkt dat bepaalde soorten vleermuizen die vertoeven in de tropische wouden van Centraal- en Oost-Afrika het natuurlijke reservoir van Ebola uitmaken. Als drager van het virus vertonen ze geen symptomen en ze besmetten grote apen en mensen door hun uitwerpselen en beten. De mens kan het virus ook oplopen na contact met dode en levende besmette dieren, of besmette mensen.

De laatste ebola-epidemieën hebben tientallen mensen gedood op het einde van de zomer van 2012 in Uganda en Congo. Hoewel de ziekte gevaarlijk is, komt ze zelden voor. Sinds de ontdekking van het virus in 1976 zijn ongeveer 2.200 gevallen genoteerd, waarvan 1.500 met dodelijke afloop.

Het staat vast dat sporadische gevallen of zelfs epidemieën niet opgemerkt worden, omdat ze voorkomen in afgelegen plaatsen waar de bevolking geen toegang tot gezondheidszorg heeft.