Sociale media

  • NL
Open the menu

Centraal-Afrikaanse Republiek: terugblik op tien dagen geweld in Bangui

Tussen 7 en 17 oktober was de burgerbevolking opnieuw het slachtoffer van hevig geweld in Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek. Tegelijk was het voor de teams van Artsen Zonder Grenzen (AZG) bijzonder moeilijk om hulp te bieden aan de slachtoffers. Ook de patiënten – zowel gewonden als zieken – hadden moeite om tot bij de gezondheidsstructuren te geraken.

Delphine Chedorge, Bangui. © Rémi Vallet
Delphine Chedorge, Bangui. © Rémi Vallet

Eén van de rechtstreekse gevolgen voor AZG van deze tien dagen vol geweld was een onaanvaardbare inkrimping van het werkterrein van de humanitaire hulpverleners in de hoofdstad, maar ook in de rest van het land. Delphine Chedorge, landverantwoordelijke voor AZG in Bangui, maakt de balans op van tien dagen geweld.

Hoe komt het dat het geweld begin oktober opnieuw oplaaide in Bangui?

“Op 7 oktober begon de politieke spanning plots sterk te stijgen. De anti-Balaka-milities – en enkele dagen later ook de Seleka-rebellen – eisten het ontslag van de Centraal-Afrikaanse presidente, die beschuldigd werd van corruptie. Nog diezelfde avond lokte een geïsoleerde granaataanval gevechten uit in de hoofdstad. Het AZG-team kreeg toen 13 gewonden binnen in het Algemeen Ziekenhuis. Eén van hen overleed. Er was geweld tussen etnische groepen onderling, maar de meeste gevechten hadden plaats tussen gewapende groepen en de internationale troepenmacht.

Volgens de Verenigde Naties zouden er tussen 7 en 17 oktober 13 doden en 242 gewonden gevallen zijn. Daarnaast sloegen ongeveer 6.000 mensen op de vlucht voor het geweld en werden er 1.600 nieuwe vluchtelingen geregistreerd in de Democratische Republiek Congo.

Hoe was de situatie tijdens die tien dagen?

Zodra het geweld weer oplaaide, was de situatie in nagenoeg de hele stad explosief, en verliepen de hulpverlening en de toegang tot zorg bijzonder moeilijk. Bangui was in de greep van verschillende gewapende groepen. Er vonden geregeld aanvallen, hinderlagen en wraakacties plaats, ook vlak bij onze kampen, gezondheidsstructuren, kantoren … De straten waren leeg, en de stad leek verlamd, dood. Er mochten geen taxi’s, motoren en privéwagens door de straten rijden.

Door de onveilige toestand, bedreigingen en versperringen die waren opgeworpen in de stad, waren de voertuigen van sommige organisaties gewoon geblokkeerd. Onze teams – zowel expats als Centraal-Afrikaanse medewerkers – hadden de grootste moeite om zich te verplaatsen. Zo konden ze vijf dagen lang de PK5-wijk niet bereiken, die nochtans bijzonder zwaar getroffen werd en waar AZG een polikliniek ondersteunt en er pediatrische zorg verstrekt.

Tijdens één van onze verplaatsingen stormde een vrouw als bezeten op ons voertuig af, met een gewond kind in haar armen. In de wagen stelden we vast dat het al dood was, omdat het niet tijdig naar een ziekenhuis was gebracht. De kans is zeer groot dat veel andere zieken en sommige gewonden niet meer weggeraakt zijn of zelfs omgekomen zijn door een gebrek aan transportmiddelen of omdat ze de straat niet op durfden.

Het was voor ons moeilijk om te reizen en tot bij de gewonden en zieken te geraken. Het werkterrein van de hulpverleners in Bangui – en meer algemeen in de hele Centraal-Afrikaanse Republiek – is ontoelaatbaar gekrompen. Tijdens die tien dagen van geweld werd de hulpverlening gewoon gesaboteerd en verhinderd. Andere hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, werden bedreigd en mochten geen gewonden vervoeren of lijken bergen. In die periode werden zes veiligheidsincidenten gemeld die rechtstreeks gericht waren tegen humanitaire hulpverleners.

Wat kon AZG doen?

In tien dagen tijd hebben onze teams toch 90 gewonden verzorgd in het Algemeen Ziekenhuis, 54 in onze polikliniek in M’Poko en 16 in het Castor-ziekenhuis. De meesten hadden kogel-, granaat- of machetewonden opgelopen en waren bijna allemaal met eigen middelen gekomen, soms pas verschillende dagen nadat ze gewond waren geraakt.

Er waren voorraden medisch materiaal en geneesmiddelen naar het Algemeen Ziekenhuis gestuurd, de referentiestructuur. Het actieplan bij een massale toestroom van gewonden was in werking getreden en versterkt. Er werden ook shifts van 48 uur georganiseerd, zodat het Centraal-Afrikaanse personeel kon slapen en eten in het ziekenhuis, zonder zich te moeten blootstellen aan het straatgeweld. Deze medewerkers kregen te maken met spoedgevallen, maar wisten tegelijk dat hun familie bijzonder veel gevaar liep in sommige wijken. Het was voor hen dan ook uiterst moeilijk.

Welke balans maakt AZG op na die tien dagen?

Het geweld waar we in oktober mee geconfronteerd werden, was anders dan dat van de voorbije maanden. De toenemende criminaliteit en de strategie van de gewapende groepen om de basisdiensten te verlammen zijn een bedreiging voor de hulpacties. Die zijn nochtans van cruciaal belang in de Centraal-Afrikaanse Republiek, waar alle overheidsdiensten – en dus ook de gezondheidsdiensten – steeds zwakker worden. Ook al was AZG geen rechtstreeks doelwit tijdens de laatste gevechten, toch blijft de bevolking verstoken van noodhulp en komen de teams in gevaar door de voortdurende inkrimping van het werkterrein van de humanitaire hulporganisaties, niet alleen in Bangui maar ook in de rest van het land.

Sinds 1997 is AZG een belangrijke zorgverlener in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Dat is nog meer het geval sinds het land – en zijn gezondheidszorg – opnieuw in een crisis verzeild raakte. Midden in de jaarlijkse malariapiek – en malaria eist vandaag nog meer mensenlevens dan het geweld in de Centraal-Afrikaanse Republiek – is een bevolking die sowieso al veel geleden heeft en aan wie we sinds ongeveer een jaar permanent en steeds meer hulp bieden, het slachtoffer van onze – zelfs gedeeltelijke – terugtrekking. Zonder zorg zijn de kinderen, de eerste slachtoffers van malaria, in levensgevaar.

Hoe is de toestand vandaag in Bangui?

Hoewel sommige humanitaire organisaties nog altijd hun werk niet kunnen doen, pikt de bevolking de draad sinds 20 oktober weer op in Bangui, op zijn minst overdag. Want vanaf 18 uur herbegint het geweld en is er voor de voertuigen geen doorkomen meer aan. Er gaat geen nacht voorbij of heel wat inwoners, onder wie ook plaatselijke humanitaire medewerkers, moeten toezien hoe hun huizen geplunderd worden en moeten hun familie in veiligheid brengen in ontheemdenkampen, waar de leefomstandigheden zeer primitief blijven.

De gewapende groepen die momenteel actief zijn in Bangui en in de rest van het land, moeten de teams, gezondheidsstructuren, voertuigen en het recht van zieken en gewonden op verzorging respecteren. Het is niet de eerste keer dat AZG die oproep lanceert, maar we blijven erop hameren. De situatie in Bangui mag dan misschien wel “gekalmeerd” zijn, het is nog altijd geen rustige stad, en we kunnen zeker nog nieuwe opstoten van geweld verwachten.”