Op zoek naar een verdwenen tas te midden van verwoesting in Soedan

Leestijd: Minuten
 

Door Suha Diab, voormalig Humanitarian Affairs Manager voor Artsen Zonder Grenzen in Soedan (voor het eerst geschreven in oktober 2025).

In de zomer van 2025, toen Artsen Zonder Grenzen (AZG) vroeg of ik interesse had om terug te keren naar Soedan, zei ik zonder aarzelen ja. Ik had er eerder gewoond en gewerkt, van september 2021 tot maart 2023 — lang genoeg voor Khartoem om vertrouwd te worden: de theedames, de falafelverkopers, de late gesprekken op daken na een lange werkdag. Het was een stad die langzaam onder mijn huid kroop, tot ze als thuis voelde.

Toen ik mijn eerste opdracht in Soedan op 31 maart 2023 afsloot, liet ik een koffer achter in het AZG‑appartement in Khartoem. Daarin zaten twee dingen die me dierbaar waren: een indigo-blauwe sjaal die ik ooit van een goede vriendin had gekregen, en een bruine leren tas — een afscheidskado van mijn Soedanese team. De oorlog, die in april 2023 uitbrak, veranderde alles. De koffer bleef achter, zijn lot even onzeker als dat van het land zelf.

Intussen zijn bijna 11,8 miljoen mensen op de vlucht geslagen in Soedan — ongeveer een derde van de Canadese bevolking, het land waar ik woon. Zo’n 4,25 miljoen mensen zijn de grens over gevlucht, terwijl miljoenen anderen in kwetsbare omstandigheden leven en blootstaan aan vermijdbare maar dodelijke ziekten. Wat begon als een machtsstrijd, werd al snel een oorlog tegen burgers — een conflict dat werd gekenmerkt door belegering, droneaanvallen, uithongering en de systematische vernietiging van essentiële diensten. Bijna iedereen die Khartoem ontvluchtte, keerde later terug naar geplunderde huizen. Veel Soedanezen spraken over een stille leegte; van dingen en ritmes die verdwenen waren, van hoekjes van het leven die niet meer bestonden.

Toen ik op 3 juni 2025 in Port Soedan aankwam, voelde de stad tegelijk vertrouwd en vreemd. De hitte was verstikkend, de lucht zwaar van zout. Maar tussen het personeel zag ik enkele bekende gezichten van mijn eerdere tijd in Soedan — mensen van wie het leven in de twee jaar sinds mijn vertrek totaal was veranderd. Vrijwel iedereen was verdreven tijdens de aanvallen op Khartoem en andere grote steden in 2023 en 2024. Velen hadden hun families naar buurlanden moeten brengen.

Portrait of Suha Diab, Former MSF Humanitarian Affairs Manager in Sudan

De verhalen die ze me vertelden, waren aangrijpend: vluchten onder geweervuur, onderhandelen bij checkpoints, gefluisterde haastige afscheidsgroeten, of gevaarlijke grensoversteken om hun geliefden in veiligheid te brengen. Sommigen werden geslagen, geïntimideerd, ondervraagd of zelfs gevangengenomen. Elk verhaal droeg zijn eigen gewicht van moed, uitputting en verlies.

Een paar weken later reisde ik met een collega naar Khartoem. De stad was onherkenbaar — uitgehold door oorlog. Verbrande auto's blokkeerden de wegen, gebouwen waren doorzeefd met kogels, hele wijken lagen stil. Zelfs de zwerfkatten en honden waren verdwenen.

Terwijl we de stad naderden, dacht ik steeds aan het appartement en aan de tas die ik daar had achtergelaten — een banaal detail temidden van zoveel verwoesting, maar het liet me niet los. Een klein, irrationeel deel van mij hoopte nog steeds dat ik de tas misschien zou terugvinden, alsof ik daarmee de wreedheid van de oorlog kon tarten. 

Volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zijn meer dan een miljoen mensen teruggekeerd naar Khartoem en omgeving. Maar ze keren terug naar een stad waar bijna niets overblijft om te kunnen leven: vervuild drinkwater, straten vol niet‑ontplofte munitie, verbrande markten en vrijwel geen werkende gezondheidszorg. Ziekenhuizen die ooit de ruggengraat van het zorgsysteem vormden, zijn vernietigd, bezet of verlaten.

Image of Khartoum

Cholera, dengue, mazelen en malaria blijven in golven terugkeren, gevoed door massale ontheemding, gebrek aan schoon water en het instorten van ziektesurveillance. Acute honger is dramatisch gestegen: meer dan 20 miljoen mensen leven in ernstige voedselonzekerheid.

Twaalf dagen na de val van El Fasher op 28 oktober 2025 verliet ik Soedan opnieuw, met een zwaar hart. Berichten over massamoorden, verbrande vluchtelingenkampen en executies van burgers bleven binnenkomen. Terwijl ik door updates uit Khartoem, Darfoer en Kordofan scrolde, herkende ik een patroon dat ik al eerder had gezien: burgers die om hulp roepen, terwijl de wereld twijfelt, discussieert of wegkijkt.

Het voelde onheilspellend vertrouwd — meest recent in Gaza — waar mensen ondraaglijk geweld moesten doorstaan terwijl de wereld toekeek. Diezelfde verlamming, datzelfde stilzwijgen, leek hier opnieuw te weerklinken. Het is verbijsterend hoe weinig we leren van onze eigen geschiedenis, hoe vaak de wereld wacht tot de wreedheden onmiskenbaar zijn, tot het te laat is om in te grijpen — en dan nog aarzelend reageert, als het al reageert. Terwijl de gevechten zich vanuit Darfoer naar Kordofan uitbreiden, zitten burgers opnieuw gevangen tussen droneaanvallen, belegering, executies, ziekte en honger. De herinnering aan een stillere tijd, vóór de oorlog, voelt inmiddels bijna onwerkelijk.

Mijn tas heb ik nooit teruggevonden. Door besmettingsrisico’s en administratieve beperkingen kon ik niet terug naar het oude AZG‑appartement. Sommige internationale collega’s plaagden me dat mijn blauwe sjaal “waarschijnlijk ergens vrolijk rondwaaide” op Khartoems gigantische markt voor gestolen goederen. Maar mijn Soedanese collega’s moedigden me aan om hoop te houden — niet uit naïviteit, maar omdat ze werkelijk wilden dat ik de tas zou terugvinden, hoe klein die kans ook was.

Ik denk graag dat ze gelijk hebben. Want in dat stille aandringen op hoop, zelfs tussen de ruïnes, ligt de veerkracht die Soedan nog altijd drijvend houdt. En misschien — heel misschien — kan deze oorlog eindigen, als de mensen met macht er eindelijk voor kiezen, dezelfde actoren wier wapens, geld en stilzwijgen het conflict tot nu toe hebben aangejaagd.

Suha Diab is een expert in humanitaire hulp en belangenbehartiging, met een PhD in Public Policy, gespecialiseerd in vluchtelingenbescherming. Ze werkte voor AZG tijdens meerdere opdrachten in Soedan, Ethiopië, Libië, Irak, Griekenland en op de Centrale Middellandse Zee.