Sociale media

  • NL
Open the menu

Nieuwe golf van vluchtelingen

Vanochtend vroeg dwongen mensensmokkelaars uit Noord-Somalië 114 mensen nabij het dorp Al Qashaah op de zuidkust van Jemen hun kleine vissersboot te verlaten.

De passagiers waren Somaliërs op de vlucht voor oorlog, armoede en ziekte. Tien van de vluchtelingen waren kinderen, waaronder ook enkele baby’s. Alle passagiers hadden de tocht overleefd. Enkelen vertelden dat de smokkelaars hen met een ijzeren staaf van het overvolle bootje jaagden zodra ze de kust naderden. Gelukkig gingen ze in relatief ondiep water van boord. Dit was de vijfde boot met Somalische vluchtelingen en Ethiopische migranten die sinds maandag 1 december vanuit Somalië op de kusten van Jemen aankwam. Het gaat om een totaal van 533 mensen. Achtentwintig personen overleefden de overtocht niet. Zij stierven door klappen, verstikking, de harde omstandigheden tijdens de overtocht of door verdrinking wanneer ze ver van de kust van boord werden gedwongen. Voor de landing van vandaag verleende een mobiel team van Artsen Zonder Grenzen medische bijstand en werden hulpgoederen (zoals water, voedsel, droge kleren) uitgedeeld aan de uitgeputte en soms uitgedroogde vluchtelingen. Zij kwamen om 6u ’s morgens aan land, na een 45 uur durende trip vanuit Bossasso, in de regio Puntland in Somalië. Daarna wandelden ze vanaf het strand enkele kilometer door een dor en rotsachtig gebied. Velen deden dit blootsvoets.

Getuigenis Somalische vluchteling in het AHWAR Ontvangstcentrum
“Ik woonde in Mogadishu, in een schamel houten huisje. Veel stelde het niet voor. Toen de oorlog aanwakkerde, vertrok ik met mijn familie uit de stad, naar de buitenwijken. Zoals veel anderen.  Enkele organisaties kwamen de vluchtelingen te hulp, maar dat was niet voldoende. Daarom ben ik vertrokken om mijn familie te helpen. Ik heb één zoon. Hij verblijft nu bij zijn moeder in Mogadishu. We komen nooit buiten. Mocht ik mijn huis verlaten, dan weet ik niet of ik wel veilig zal terugkeren of misschien zal sterven. De mensen wonen in hutjes die hen niet beschermen tegen de regen en het zand. Het leven hier is vreselijk. Tijdens onze tocht van Mogadishu naar Bossasso kwamen we heel wat controlepunten tegen, waar gewapende mannen ons bestolen. Ik bleef acht maanden in Bossasso en werkte er als kruier met een handkar. Ik verdiende wel wat geld, maar niet genoeg voor de boottocht. Op een dag vond ik zomaar vijftig dollar op de grond en hierdoor had ik genoeg voor de oversteek. Ik had geluk. Ik telde tachtig dollar neer voor de reis. Bij aankomst in Jemen probeerde één van de smokkelaars ons allemaal ver van de kust in het diepe water te duwen. Maar een andere smokkelaar zei “neen, we moeten hen dichter bij de kust droppen.” In andere boten worden de mensen soms gewoon in het water gedumpt, maar gelukkig was dit bij ons niet het geval. Wat we ook te verduren krijgen, ik laat de hoop niet varen.”