Sociale media

  • NL
Open the menu

Lege ziekenhuisbedden en kelders vol medisch materiaal

Christopher Stokes, algemeen directeur van AZG, bezocht Afghanistan. Hij legt uit waarom gratis medische zorg belangrijk is en waarom AZG geen geld van regeringen aanneemt.

In een provincie als Helmand is het lawaai van de oorlog nooit ver weg. In zo’n context worden gewone gezondheidsproblemen medische noodgevallen, want van een dorp naar de stad reizen, is heel gevaarlijk en op vele plekken gewoonweg onmogelijk. Artsen Zonder Grenzen is net in het enige nog functionerende publieke ziekenhuis van Helmand beginnen werken, in de provinciehoofdstad Lashkargah. De laatste jaren ontving dit ziekenhuis niet weinig buitenlandse hulp. Toen ik echter de verschillende afdelingen van het ziekenhuis bezocht, viel mij vooral het gebrek aan patiënten op. Op de ochtend van ons bezoek telden we 40 patiënten voor 124 bedden. Waarom zijn er zo weinig patiënten? De medische diensten in dit ziekenhuis waren niet altijd even coherent. Het grootste deel van het ziekenhuispersoneel werkt enkel ’s ochtends, in de namiddag werkt het in privé-klinieken. De medische praktijken in het ziekenhuis zijn ouderwets en medicijnen worden te veel voorgeschreven. Consultaties zijn dan wel gratis, patiënten worden altijd doorverwezen naar privé-apotheken. Velen kunnen die medicatie – vaak van slechte kwaliteit en zelfs namaak – niet betalen. Het ziekenhuis werkt niet op volle capaciteit, maar het staat toch volgestouwd met geschonken medische apparatuur. Digitale röntgentoestellen uit Europa en China, laboratoriumapparatuur, chirurgisch materiaal en operatielampen — vaak nog in de verpakking — staan opgeslagen in de kelder. Zij werden geschonken door regeringen, via de provinciale heropbouwteams van de International Security Assistance Force (ISAF) of via rechtstreekse bilaterale hulp. Doorgaans zonder veel uitleg of instructies. Toen ik er was, werd een kind met mazelen binnengebracht. De moeder vertelde ons dat er nog minstens acht andere kinderen met gelijkaardige symptomen zijn in haar dorp. Mazelen is een bijzonder besmettelijke ziekte die dodelijk kan zijn als ze niet wordt behandeld. Haar kind had complicaties en had zuurstof nodig om de nacht door te komen. Maar de enige werkende zuurstofmachine stond in de medische afdeling waar de aanwezigheid van andere kinderen ernstige infectierisico’s met zich meebracht. En toch werd hij daarheen gebracht. En dat terwijl in de kelder minstens zes mobiele zuurstofgeneratoren onder een dikke laag stof staan te verroesten! Het kind is een slachtoffer van dit conflict en zijn lot vat deze oorlog eigenlijk samen. Hij liep een gemakkelijk te voorkomen ziekte op, alleen maar omdat hij in een door oorlog verscheurd gebied woont. De moeder van dat kind had geen keuze; ze nam een risico door naar Lashkargah te komen, maar ze moest wachten tot het bijna te laat was. Zelfs na acht jaar donaties door regeringen en het "dumpen" van medische apparatuur, is het ziekenhuis nog steeds niet klaar om patiënten op te vangen en behoorlijk te behandelen. Eerder had een zwangere vrouw die gewond was geraakt bij een explosie, na 48 uur uiteindelijk Lashkargah gehaald. Haar ongeboren baby was ook gewond geraakt bij de ontploffing. De moeder overleefde de bevalling, hoewel haar baarmoeder geperforeerd was. Maar haar baby overleed aan een bacteriële infectie. Als ze sneller bij een ziekenhuis was geraakt, hadden beide levens misschien gered kunnen worden. Na de moord op vijf collega’s, nu bijna vijf jaar geleden, keert Artsen Zonder Grenzen voorzichtig terug. Risico’s worden daarbij steeds afgewogen tegenover de behoeften. Om door alle partijen in een conflict te worden aanvaard, moet een humanitaire organisatie blijk geven van volledige onpartijdigheid en duidelijk haar neutraliteit communiceren. Voor Artsen Zonder Grenzen betekent dat bijvoorbeeld dat wij geen fondsen aanvaarden van overheden voor ons werk in Afghanistan of Pakistan, en dat we elke poging verwerpen van wie dan ook om ons te controleren of te bevelen. Er is geen duidelijk onderscheid tussen militaire operaties en humanitaire hulp; alle hulpacties, ook de “hearts and minds-initiatieven die strijdkrachten opzetten, worden humanitair genoemd. Het belangrijkste verschil is dat zuiver humanitaire organisaties onmiddellijke levensreddende zorg bieden op basis van medische noden alleen, en daarnaast geen andere doelstellingen hebben. Het is belangrijk om dat onderscheid te maken. Waarom? Omdat humanitaire organisaties bevolkingen in nood moeten helpen, los van het land waar ze in wonen en welke strijd daar gevoerd wordt. Een organisatie die partij kiest (door financiering of anders), zal en kan zoiets gewoon niet doen. Ten tweede betekent een kant kiezen vaak ook dat je gewapende bescherming nodig hebt, en dat maakt de organisatie of de structuur die ze ondersteunt meteen tot een militair doelwit. In Helmand zijn vele medische structuren opnieuw opgebouwd door ISAF en bewaakt door de NAVO en Afghaanse troepen. Ze worden door gewapende oppositiegroepen gezien als militaire doelwitten, waardoor patiënten nog minder geneigd zijn om naar het ziekenhuis te gaan. Centraal in onze beslissing om weer aan de slag te gaan in Afghanistan, was de demilitarisering van ziekenhuizen door de invoering van een strikt wapenvrij beleid in de gezondheidsstructuren waar wij werken. We vragen alle partijen — de politie, de coalitietroepen en de gewapende oppositie — om hun wapen bij de ingang achter te laten. Vandaag zijn er in Afghanistan onvoldoende organisaties die op een onafhankelijke manier de behoeften van de mensen in oorlogssituaties onderzoeken en aangepaste hulp bieden. In een provincie als Helmand is de toegang tot gezondheidszorg bijzonder beperkt. Hulp bieden om politieke eerder dan om humanitaire redenen, heeft zijn beperkingen. Het kan ziekenhuiskelders volstouwen met dure medische apparatuur, maar het kan patiënten in nood niet tot in de ziekenhuisbedden krijgen.

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard op 12 december 2009.

Op 16 december gaf Michiel Hofman van Artsen Zonder Grenzen een interview aan Radio 1 over de verhouding tussen ngo's en militairen in Afghanistan.