Sociale media

  • NL
Open the menu

Een maand noodhulp in Atjeh

Ibrahim Younis was noodhulpcoördinator voor AZG-België in de provincie Atjeh in Indonesië en ging al enkele uren na de tsunami aan de slag. Terug in Brussel vertelt hij over zijn maandlange noodinterventie in Atjeh. Een gesprek.

Ibrahim, jouw ploeg van AZG is de eerste buitenlandse ngo die in Atjeh aankwam.
Twee dagen voor de tsunami had ik net enkele evaluaties uitgevoerd op het eiland Sumatra. Ik was terug in Jakarta, en maakte me klaar om weer naar Brussel te vliegen. Zondagmorgen kreeg ik een sms van een vriend die in Bireuen, aan de oostkust van Sumatra werkt. Hij vertelde me dat er zojuist een vloedgolf over de stad was geraasd. Ik begreep al snel dat de tsunami enkel dat deel van het eiland getroffen had. Ik nam onmiddellijk contact op met Jan Weuts, noodhulpcoördinator op het hoofdkantoor in Brussel. Tegelijk dienden we bij de Indonesische regering een aanvraag in om toegang te krijgen tot de provincie Atjeh. Op 28 december kregen we toestemming om naar Atjeh te gaan. We laadden een vliegtuig met 3,5 ton materiaal en levensmiddelen en vertrokken naar de stad Banda Atjeh. Wat was je eerste indruk bij je aankomst?
Alles was vernield. De stad Banda Atjeh was in tweeën verdeeld: aan de ene kant, het noordelijke gedeelte, bleef er absoluut niets meer over. De andere kant, het zuiden, lag bezaaid met puin dat door de golven was meegesleurd. Ik zag veel huilende mensen in shock, die door de straten dwaalden. Ik zag ook veel lijken, die haastig door het leger in massagraven werden begraven. Gelukkig werkte de elektriciteit nog en was de stad niet in het duister gehuld. Hoe reageerde AZG op deze noodsituatie?
Op 29 december hadden we twee mobiele klinieken ter plaatse in Banda Atjeh, om medische verzorging te verstrekken in die gebieden waar de meeste mensen waren samengekomen. Er waren 108 ontheemdenkampen. Elk van hen gaf onderdak aan 50 tot 2.000 gezinnen. De mensen zochten hun toevlucht in lege gebouwen: scholen, fabrieken, overal waar er plaats was. De dag nadien beschikten we over een helikopter waarmee we over de westkust vlogen om de schade op te meten. De hele westkust was tot drie kilometer landinwaarts volledig vernield. We konden “groepjes” van telkens 50 tot 200 mensen zien. Vanaf de tweede dag transporteerden we mobiele teams, materiaal en rijst. Vandaag beschikt AZG over vier basiskampen met personeel en materiaal: Banda Atjeh in het uiterste noorden van het eiland, Sigli aan de oostkust, Lamno en Meulaboh aan de westkust. Ook gaan we regelmatig langs op zeven of acht plaatsen aan de oostkust. Wat zijn de belangrijkste noden?
We komen veel verwondingen tegen, waarvan sommigen een chirurgische interventie vereisen. Maar ook de mentale gezondheid blijft een aandachtspunt, aangezien veel mensen een trauma hebben opgelopen. We zien veel kinderen zonder ouders. De gezondheidsvoorzieningen zijn vernield en een groot deel van het medische personeel is omgekomen bij de ramp. Er is een gebrek aan hulpmiddelen en aan infrastructuur. Waardoor is AZG een van de belangrijkste humanitaire actoren in Atjeh?
We hebben op zeer korte termijn op de ramp kunnen reageren en op die manier de eerste humanitaire noodhulp kunnen aanbieden. Amper twee dagen na de tsunami waren we al ter plaatse. Op een week tijd hebben we vier basiskampen opgericht en diverse activiteiten op poten gezet. We houden ons onder meer bezig met mobiele klinieken, het verlenen van gezondheidszorg, psychologische ondersteuning, drinkwatervoorziening en een verbetering van de hygiënische omstandigheden. Er zijn erg veel humanitaire organisaties actief in het gebied. Het voordeel van AZG is dat we als eerste ter plaatse waren, en dat we onze acties snel en efficiënt hebben kunnen ontplooien. Interview afgenomen op 26 januari 2005.