Sociale media

  • NL
Open the menu

Atjeh na de vloedgolf: een geleidelijk herstel van het dagelijkse leven

Anderhalve maand na de catastrofe die een groot deel van de kuststreek van de provincie Atjeh in het noorden van Sumatra (Indonesië) verwoestte, zijn de teams van Artsen Zonder Grenzen bijna klaar met de grootschalige verdeling van tenten aan families die zich opnieuw op hun stukje grond willen vestigen.

Zoals elke morgen de afgelopen drie weken neemt Ioana, logistiek medewerkster bij AZG, de weg ten zuiden van Meulaboh. Het is hier, aan de westkust van Atjeh, recht tegenover het epicentrum van de aardbeving, dat we van start zijn gegaan met het uitdelen van familietenten en het meest dringende materiaal (plastic zeilen, jerrycans, zeep) aan de getroffen bevolking. Het team is samengesteld uit twee logistieke medewerkers, een tolk en magazijnbedienden. Hun werk sterkt zich uit over een kuststreek van ongeveer 30 kilometer lang en iets meer dan en kilometer breed. Voor de tsunami was de bevolking verspreid over een twintigtal dorpjes met kleine houten huisjes, in de schaduw van een bos met kokospalmen. Gelegen tussen de oceaan en de plantages, haalden de inwoners hun voornaamste inkomsten uit de visvangst en de polycultuur (rijst, aardappelen, vruchten enz.). Maar de tsunami heeft alles meegesleurd en met de grond gelijk gemaakt. De twee opeenvolgende golven hebben enkel de moskeeën - gebouwd met stevig materiaal, en iets hoger – en enkele administratieve gebouwen gespaard. Al de rest is één grote puinhoop vol planken, stukken golfplaat en onduidelijke restanten van huiz

Ze waren bang om terug te keren
Voor we van start gingen met de distributie, was de zone volledig leeg. Het was er spookachtig,” verklaart Ioana. De dorpelingen hadden hun toevlucht gezocht bij hun naasten, in de administratieve gebouwen en de scholen van de buurdorpen of in de kampen die door het leger waren opgericht. Ze waren nog niet naar de streek teruggekeerd. “Ze voelden zich geterroriseerd en waren verbijsterd door wat ze hadden meegemaakt. Ze waren ongelooflijk bang om terug te keren, de omvang van de ramp vast te stellen en lijken te ontdekken.” Voor de distributie van start ging, bezocht het team alle plaatsen waar mensen bijeen waren gekomen. Deze sites boden onderdak aan enkele tientallen tot enkele honderden mensen. Vervolgens identificeerde het team in samenwerking met de dorpsoversten de personen die naar hun eigen stukje grond wilden terugkeren. De distributies in de oorspronkelijke dorpjes worden op basis van deze lijsten uitgevoerd: het materiaal wordt rechtstreeks aan de families overhandigd. Zij nemen hun tent in ontvangst om deze op hun eigen stukje land op te zetten. “Door het uitdelen van familietenten aan de slachtoffers, hebben we hen de mogelijkheid geboden om de kampen te verlaten en naar huis terug te keren,” gaat Ioana verder. “We hebben bijgedragen aan het begin van de terugkeer.” Deze kuststrook wordt stilaan opnieuw bevolkt. Elke dag worden langs de weg, naast de tenten die door AZG werden geschonken, een of twee nieuwe houten hutjes door de mensen opgetrokken uit materiaal dat ze in het puin hebben gevonden.
Een door oorlog geteisterd land
Toch is de toestand iets ingewikkelder dan het lijkt en keren de families slechts met mondjesmaat terug naar huis. In de eerste plaats omdat de ontheemden bang zijn dat ze na hun terugkeer geen humanitaire hulp, en in het bijzonder voedingshulp, meer kunnen ontvangen. Deze hulp wordt grotendeels gecontroleerd door het leger en bijna uitsluitend verdeeld op de sites waar de mensen zijn samengekomen – voor een groot deel in de buurt van de militaire kampen. Een deel van de tenten die door het team van Ioana werd uitgedeeld wordt trouwens niet permanent bewoond: de bevolking zet de tenten op de plaats van hun oude huis op, om hun terugkeer aan te geven en om van start te gaan met het opruimen en de reconstructie. Maar ze ‘houden nog een voet in het kamp’, om de momenteel levensnoodzakelijke bijstand te kunnen blijven ontvangen. Verder hebben de autoriteiten aangekondigd dat ze ongeveer een kwart van de 400.000 officiële ontheemden uit de hele provincie Atjeh willen “herlokaliseren”. De overheid bouwt ver van de zee (wat een groot probleem oplevert voor de vissers) semi-permanente houten barakken die elk enkele honderden personen kunnen huisvesten. Het beoogde doel: een veiligheidszone creëren tussen de zee en de bewoonde gebieden en de kustbewoners beschermen tegen nieuwe spelingen van de oceaan. Ook hier worden de barakken vaak in de buurt van de militaire kampen opgericht. Atjeh is een oorlogsgebied, dat al sinds 2003 onder noodbewind staat. Het leger is er alomtegenwoordig en houdt de burgerbevolking stevig onder controle. Het is in deze complexe situatie dat de activiteiten van Artsen Zonder Grenzen en alle andere humanitaire organisaties in Atjeh zich afspelen: een catastrofe van buitengewone omvang volgt op een bestaand conflict van meer dan 20 jaar oud. Dit is een situatie waarin de humanitaire realiteit van de hulpverlening aan slachtoffers deze van een gebied in oorlog benadert.