Bangladesh

In 2017 is Artsen Zonder Grenzen doorgegaan met het verstrekken van zorg aan de kwetsbare bevolkingsgroepen in Bangladesh en heeft het zijn inspanningen opgevoerd om de massale toestroom van Rohinya-vluchtelingen uit Myanmar op te vangen.

Op 25 augustus begon het leger van Myanmar in de staat Rakhine met een georganiseerde geweldcampagne tegen de Rohinya. Als gevolg daarvan waren eind 2017 meer dan 660.000 mensen naar de andere kant van de grens gevlucht, naar het district Cox’s Bazar in Bangladesh, waardoor het totale aantal Rohinya-vluchtelingen in het land opliep tot ruim 830.000. De meesten leven in haveloze onderkomens, in erbarmelijke hygiënische en sanitaire omstandigheden, in overbevolkte kampen die niet beschermd zijn tegen aardverschuivingen en overstromingen en waar voortdurend een tekort aan drinkbaar water is.

Tegen het einde van het jaar hadden onze voorzieningen al duizenden patiënten met symptomen van mazelen of difterie behandeld en ook 2.624 patiënten die effectief difterie hadden. De teams zijn in de meeste kampen waar ze werken actief op zoek gegaan naar mogelijke gevallen, door informatie te verzamelen over de samenstelling van het gezin van de patiënten en de eventuele contacten die ze hadden gehad voor ze op consultatie kwamen. Mensen die met difteriepatiënten in contact waren geweest, kregen een profylactische antibioticakuur voorgeschreven. Artsen Zonder Grenzen geeft meerdere behandelingscentra voor difterie geopend, onder meer in Rubber Garden, in de buurt van het geïmproviseerde kamp Kutupalong, waar verdachte gevallen werden opgevolgd en behandeld.

Een kind wordt behandeld voor difterie in Moynarghona. © Anna Surinyach, januari 2018.
Een kind wordt behandeld voor difterie in Moynarghona. © Anna Surinyach, januari 2018.

In december hebben we de resultaten bekendgemaakt van zes onderzoeken die in de vluchtelingenkampen in Bangladesh werden gevoerd. Ze brachten aan het licht dat tussen 25 augustus en 24 september 2017 minstens 9000 Rohingya om het leven kwamen in Myanmar, in de staat Rakhine. Volgens de meest voorzichtige schattingen, waarbij er van uitgegaan wordt dat 71,7% van de gemelde overlijdens een gevolg waren van geweld, zouden minstens 6700 Rohingya gedood zijn, van wie minstens 730 kinderen jonger dan vijf jaar. Van de doden kwam 69,4% om het leven door schoten, 8,8% werd ‘levend verbrand in hun huis’, 5% werd doodgeslagen, 2,6% stierf aan de gevolgen van seksueel geweld en 1% was het slachtoffer van mijnen. Deze onderzoeken leveren epidemiologische bewijzen van de hoge sterftegraad als gevolg van geweld op de Rohingya-bevolking en suggereren dat er in de staat Rakhine bloedbaden zijn aangericht. Artsen Zonder Grenzen heeft geregeld verslagen opgemaakt met verklaringen van vluchtelingen die na 25 augustus in Bangladesh zijn aangekomen om meer inzicht te verwerven in de omstandigheden van hun vlucht en de geweldpatronen waaraan ze werden blootgesteld.

Eind 2017 bleven de Rohingya naar Bangladesh komen om daar een veilig onderkomen te zoeken en in 2018 zal de humanitaire hulp aanzienlijk moeten worden opgevoerd.