Sociale media

  • NL
Open the menu

Sri Lanka: "Heb je misschien nieuwe armen voor mij?"

Sinds het begin van het jaar zijn de gevechten tussen het Srilankaanse leger en de Tamiltijgers verder opgelaaid. Annemarie Loof is landencoördonator van AZG en is net terug uit Sri Lanka.

In een gebied van 20 vierkante kilometer aan de noordoostkust van het eiland wordt hevig gevochten. Naar schatting 150.000 mensen kunnen geen kant op. ‘Tot september vorig jaar werkte Artsen zonder Grenzen in het ziekenhuis van Kilinochi, midden in het bevochten Vanni-gebied. We waren bezig hulp op te starten voor vluchtelingen, toen de overheid alle hulporganisaties opdroeg het gebied te verlaten. Nu werken twee van onze chirurgen in het ziekenhuis van Vavuniya, 80 kilometer ten zuiden van waar gevochten wordt, en delen onze teams pap uit in de vluchtelingenkampen rondom Vavuniya.’ ‘Vorig jaar rond deze tijd merkten we dat de situatie verslechterde. Vanuit onze basis in Vavuniya, vlakbij de zuidelijke frontlijn, hoorden we elke ochtend en elke avond schoten lossen en artillerie afvuren. Heen en weer. Vanaf april verhevigde dit, en vanaf mei schoof de frontlijn omhoog. En wat deed de bevolking? Die vluchtte– mét die frontlijn mee – naar het noorden. Daardoor moesten mensen keer op keer vluchten, tot wel 5 of 6 keer.’

In shock
‘De mensen die afgelopen februari uit de Vanni zijn gekomen, zijn door het leger hiernaartoe gebracht. De hele dag zag je rode legerbussen af en aan rijden. Toen kwam er wekenlang niemand uit. Pas later vertelden patiënten dat ze niet eerder konden vluchten, dat de LTTE ze tegenhield. Pas half maart kwam er weer een buslading met mensen aan. De mensen komen totaal in shock aan aan. Ze vertellen hoe ze wekenlang in bunkers zaten om te schuilen voor de bommen. Vaak zijn ze 's nachts – in groepjes - met gevaar voor eigen leven de frontlijn overgestoken.’ ‘Zo'n 50.000 mensen zitten nu in geïmproviseerde kampen in en rondom de stad Vavuniya. Je moet je voorstellen: 30 mensen in een klaslokaal hutjemutje op elkaar gepropt, of een cricketveld vol met hutjes. Om de kampen zijn 2 rijen rollen prikkeldraad gespannen, met 2 meter ertussen. Mensen buiten en in de kampen kijken naar elkaar of ze familieleden herkennen. 80% van de bevolking van Vavuniya is ook Tamil en heeft haar familie jarenlang niet gezien. Maar er zijn geen lijsten van wie in welk kamp zit, de mensen mogen er niet uit en mogen geen contact met de buitenwereld hebben.’
Verschrikkelijke verhalen
"Een vrouw kwam naar me toe. Haar kinderen zaten op kostschool in Mannar, aan de westkust. Ze had ze al 2 jaar niet gesproken en haar kinderen wisten niet dat ze nog leefde. Toen heb ik haar mijn mobiele telefoon gegeven zodat ze hen kon bellen. Haar opluchting nadat ze contact wist te maken, dat vergeet ik niet meer. We hebben de verschrikkelijkste verhalen gehoord: een jongen van 15 jaar oud. Toen de bommen vielen waren 6 van zijn familieleden op slag dood en hij was zijn armen kwijt. Hij vroeg aan een van onze hulpverleners: "Heb je misschien nieuwe armen voor mij?"" "Elke dag gaan onze teams naar de kampen. Wij koken pap en delen dat uit, vooral aan kleine kinderen en zwangere vrouwen. Voor veel mensen is het een vorm van afleiding als wij er zijn: een moment van menselijk contact. Mensen zijn enorm onrustig, ze vragen: "Kun je mij helpen? Ik zoek mijn kind, ik zoek mijn man, weet je wie er in de andere kampen zit?" Ik sprak een vrouw, zij had 8 kinderen. Haar man was kwijt, haar oudste van 17 en de jongste van 4 maanden waren dood. Haar zoon van 15 sprak niet meer. Ze komen naar je toe, pakken je vast, beginnen te huilen. De angst zit heel erg diep."
Ophouden
"De mensen die nog in het gebied zitten waar gevochten wordt, moeten er erg aan toe zijn. Ze zitten vast op een stuk land dat alleen uit strand en jungle bestaat. In maart heeft het dagen achtereen geregend: mensen zaten tot over hun knieën in het water en dan neemt de kans op ziekten alleen maar toe. Het is erg frustrerend dat we geen toestemming krijgen om binnen dit gebied medische hulp te verlenen." "Ik weet dat het om een ‘intern’ conflict gaat dat niet hoog op de geopolitieke agenda staat, en dat de oorlog al min of meer 25 jaar duurt, maar zo erg als het nu is, is het nog nooit geweest. De oorlog wordt over het hoofd van de mensen uitgevochten. En elke dag komen er nog vliegtuigen vol toeristen aan. Een keer vloog ik vanuit Europa terug naar Colombo en toen zei de purser tijdens het landen: 'Welcome to paradise'."